De DEVADASI’S à“F De legendarische Indiase tempeldanseressen


Er is nauwelijks een bevolkingsgroep denkbaar die in het verleden zo verheerlijkt en vervolgens zo ernstig gestigmatiseerd is als de devadasi’s .­ India’s rituele tempelartiesten. Duizenden jaren klonk hun gewijde zang in de tempels van India en was men daar getuige van hun prachtige dans. Toen, onder invloed van het Christendom – begin deze eeuw, besloot een morele brigade van verengelste Indiërs hun land te zuiveren van dergelijke “achterlijkheid.” Zij brandmerkten de devadasi als prostituee en zorgden er voor dat zij buiten de wet werd gesteld. Weinig hindoes weten dit. Nog minder van hen begrijpen hoe een beschaving die haar eens nityasumangali, ‘de altijd.­voortreffelijke vrouw,’ noemde, haar later de straat op zou jagen. In een driedelige serie (op deze webpagina geheel opgenomen) zullen we hierop ingaan, haar Agamische oorsprong ontdekken, haar plichten en de controversiële pogingen haar te ‘rehabiliteren’ bespreken. De devadasi trad niet in het huwelijk zoals wij dat kennen. Opgegroeid in het tempelmilieu volgde zij jarenlang een intensieve opleiding in klassieke dans en zangkunst en werd op ongeveer 16-jarige leeftijd in een ceremonie uitgehuwelijkt aan een God of Godin. ’s Morgens stond ze vóór zonsopkomst op, zingend ontstak zij de lampen in de tempels en danste tijdens puja’s, festivals en processies in toewijding aan God. Tijdens de puja van de priester zong zij gewijde liederen en offerde onderwijl bloemen of wuifde de alankaram lamp. De smetteloze rituelen in de tempel maakten van de ceremonie een prachtig schouwspel dat de zinnen verhief en opende voor de shakti van de Godheid. Om de geestelijke lijn te kunnen vervolgen, werd de devadasi aangemoedigd een relatie aan te gaan met een ‘patroon,’ afkomstig uit de samenleving. Hij diende een ‘ontwikkeld religieus mens te zijn uit welgestelde en culturele kringen,’ want men vond het belangrijk dat ook hun nakomelingen van voorname afkomst waren. Vaak waren het gerespecteerde ouderen uit de gemeenschap die de keuze maakten. Meestal werd een Brahmaan als patroon gekozen. Het stond de devadasi vrij een andere ‘patroon’ te kiezen als zij dat nodig vond. Ze kookte nooit voor hem, bleef niet bij hem wonen en vervulde ook geen andere taken die men van een echtgenote mag verwachten. De kinderen die uit hun relatie geboren werden, waren van haar en werden opgeleid in dans en muziek. Zonen dansten nooit in de tempel, maar werden dansinstructeurs, natuvanars, en leidden jonge meisjes op, die hen als vaders beschouwden. De natuvanars beschermden de devadasi’s en droegen zorg voor hun welzijn en geluk. Deze unieke traditie was de wijze waarop hindoemaatschappij zich verzekerde van het behoud van de klassieke kunst in religieuze, niet-profane vorm. Het huwelijk van de devadasi met de Godheid was meer dan een spirituele formule. Het was een praktische noodzaak, vond de samenleving, omdat de verplichtingen van een familielid zo tijdrovend waren dat alleen een ongehuwde vrouw voldoende tijd en energie kon hebben om de klassieke kunsten te leren beheersen. ‘Zij konden de hele dag oefenen of deelnemen aan evenementen en hoefden nergens aan te denken,’ zegt Mythili Kumar, een bekend hedendaags danseres die zelf door een devadasi is opgeleid. ‘Zelfs als zij familie hadden, hoefden of wilden zij zich daar geen zorgen over maken. Het was heel anders dan de opleiding die een meisje tegenwoordig ontvangt, waar de familiezaken altijd vóór de kunst gaan.’ Of dit nu positief is of negatief is, hangt ervan af hoe je er naar kijkt. Het gaat om de toewijding aan de kunst. Bij de devadasi’s kwam de kunst altijd op de eerste plaats en pas daarna de familie.

Haar bezoedelde reputatie – een toelichting
In de hindoesamenleving waren er naast de devadasi’s ook andere categorieën dansende meisjes. Veel van de negatieve etiketten die men devadasi’s opplakt, vinden hun oorsprong in de chronische vereenzelviging van devadasi’s met zulke meisjes. Zo waren er de vermaarde ganika’s, hoog ontwikkelde danseressen/courtisanes, zoals Ambapali, die eens samen met Boeddha de maaltijd gebruikte. De Moslimheersers hadden grote dans- en zanggezelschappen voor uitvoeringen aan hun hof. Er waren ook danseressen die duidelijk als ‘publieke vrouw’ herkenbaar waren. In het oude India was prostitutie wettig en werd door de staat geregeld. De staat hief er belasting over, gaf werkvergunningen af, zag toe op de gezondheidszorg, hield de boeken bij en had toezicht op de betrokkenen. In een poging het hindoeïsme in diskrediet te brengen, vereenzelvigden verschillende Westerse onderzoekers de devadasi’s met deze prostituees. Eén van de meest geraadpleegde encyclopedieën over het hindoeïsme in de wereld, The Hindu World schrijft lasterlijk: ‘Institutionele tempelprostitutie kwam in India voor tot het einde van de vorige eeuw. Grote tempels, zoals die in Madurai, Konjeeveram en Tanjore, werden als bordelen gebruikt.’ Dit bizarre idee is gebaseerd op een tempelinscriptie waarin gewoon te lezen valt dat Tanjore 400 devadasi’s had. Toen de devadasi’s uit de tempels verbannen waren, kwamen velen van hen aan de zelfkant van de samenleving terecht. Sommigen van hen werden gedwongen op immorele wijze in het levensonderhoud te voorzien ¬ een feit waar zij tot vandaag de dag nog mee geconfronteerd worden. Terwijl de overheid tegenwoordig krampachtige pogingen doet hen te "rehabiliteren," vragen de devadasi’s zelf en hun sympathisanten om krachtiger en meer creatieve oplossingen.

Begaafdheid blijft
Hoewel niet algemeen bekend, hebben veel bekende hedendaagse dansers, zangers en muzikanten in India een devadasi-afkomst. Eén van de artiesten die haar devadasi afkomst niet verloochent, is Kishori Amonkar, één van India’s grote klassieke vocalisten. In een artikel over haar (India Perspectives, 1991, door Rashmee Seghal) vertelt ze openhartig over de vooroordelen waar ze als kind het slachtoffer van was. Ondanks alle bizarre verslagen van voornamelijk Westerse schrijvers was de devadasi tempeltraditie niet één of andere vreemde gril van een patriarchale Indiase samenleving noch een harteloos hindoe-instituut van "religieuze hoererij." Nauwelijks. De oorsprong ervan ligt diep in Saiva Agama’s (ca. 1500 v. Chr.), die haar een bonafide ceremoniële status verleenden, met specifieke plichten, opleiding en gedragsregels. Zowel de devadasi’s als de priesters vormden een deel van de subtiele, heilige taak om de shakti, goddelijke energie, van de Mahadeva aan te roepen en die voor de toegewijden voelbaar te maken. De priesters gebruikten Sanskriet mantra’s; de devadasi’s gebruikten muziek, mudra en dans. Beiden beschouwden zich "tempeldienaren." Zij hadden een houding van nederig zelfrespect en vervulden opgewekt een bezigheid die weinig wereldlijke beloning opleverde. Hun diepste voldoening was volkomen innerlijk. De Kamikagama beschrijft verschillende categorieën van vrouwelijke tempelartiesten, met inbegrip van de Rudraganika, Rudrakkannikai en de Rudradasi. Eigentijdse hogepriester Sadyojatasivacharya vat uit Agamische passages samen: "De Rudraganika draagt het haar in een knoop boven het sleutelbeen; haar middel is getooid met een oranje doek; Zij draagt het Siva-teken van drie strepen van heilige as en als enig sieraad de rudraksha. Zij draagt een zijden blouse. De acharya geeft haar Sivadiksha (initiatie) en leert haar de Panchakshara Mantram en hangt het gouden teken van de linga over haar trouwhanger. Alle drie [ganika’s] nadat de bottu (lingam)is omgehangen, moet zij nrittnam, zuivere dans, uitvoeren. Als dit gebeurt met wellust, of anders, zullen de koning en het land vernietigd worden." Andere stromingen, Sakta en Vaishnava, stemden in de geschriften met de devadasi-traditie in en namen die over. Voor haar dorp werd zij als "voorbode van voorspoed" beschouwd, een ware belichaming van de God. Toegewijden nodigden devadasi’s bij bijzondere gelegenheden, met name huwelijken, thuis uit. Hier werden zij vereerd en dan gevraagd te zingen en te zegenen. Zij gingen in groepen van twee of meer, nooit alleen. Een teruggetrokken devadasi uit de Puri Tempel vertelt, "Vroeger namen mensen zand uit onze deuropening (als een zegen) en armbanden om aan hun dochters te geven. Maar tegenwoordig denken zij slecht over ons en [doen dat niet meer]." Het schema van de devadasi was één en al routine. Zij trad dagelijks op – als er veel aan de tempel verbonden waren minder geregeld. Zij woonde in een eigen huisje, alleen, op het terrein van de tempel. Zij stond voor zonsopgang op, deed haar persoonlijke gebed en kwam samen met de priesters in de tempel aan. Zij zong, ontstak lichtjes, en danste op meestal twee plaatsen – precies voor het innerlijk heiligdom maar ook bij de kleinere heiligdommen in mandapams (zalen) buiten, waar toegewijden werden verheven door haar uitzonderlijke gebed. Op andere tijden trad zij op een feestelijke processies en delen van dansdrama’s die steeds door het jaar heen gehouden werden om de hindoe leringen en verhalen levend te houden. ’s Avonds zong zij, maar alleen de meeste geëerde "devadasi’s van de binnenste sectie" traden op bij de sluiting van de avondpuja, deden de laatste arati. Enkelen leerden fluit en veena te bespelen.

Haar "privé"leven – feiten tegenover verzinsels
Niets heeft de wellustige verbeelding van Westerse schrijvers zo geprikkeld als het privé-leven van de devadasi. De Franse missionaris Abbé Dubois legde de basis voor een broeinest van kwaadsprekerij met zijn ongegronde verklaring uit ca. 1800: "Wanneer de devadasi’s hun tempelplichten gedaan hebben, openen zij hun cellen van eerloosheid en maken geregeld van de tempel een bordeel. Onder beschaafde mensen heeft nog nooit zo’n beschamende en onfatsoenlijke godsdienst bestaan." Andere Westerse schrijvers borduurden op dit verwrongen beeld verder. In het begin van de jaren 1900 leidde een elitegroep van verengelste Indiërs – gehersenspoeld door tientallen jaren van Christelijk zedenprediken – samen met een partij van openlijke anti-hindoe atheïsten heftige campagnes tegen tempeldansen. Verschillende buitengewoon dappere devadasi’s, zoals Balasawati, en trouwe aanhanger brahmin E. Krishna Iyer vochten tegen deze ijverige "hervormers." Maar het mocht niet baten. De tempels werden in 1947 wettelijk "gezuiverd" (zie kader). De heilige kunstvorm werd verwoed en onbeholpen doorgegeven aan brahmin meisjes die het leerden en uitvoerden als hoogstaand wereldlijk vermaak, zoals ballet, en daar staat het nog steeds. Ironisch genoeg heeft de ontmanteling van de devadasi-traditie de aanzet gegeven tot een nog radicaler religieus gebruik op het platteland. Hierin "huwen" meisjes met een God of Godin, maar zonder tempel waarin zij kunnen dienen. Vaak worden zij jogti’s genoemd (of – verwarring stichtend – devadasi’s door de Indiase pers); zij dragen een beeltenis van de God en aanbidden die dagelijks. Zij bedelen dagelijks bij vijf huizen en zijn openlijk "publieke vrouwen", met goedkeuring van de religieuze plattelandssamenleving. Overheden hebben het gebruik verboden en proberen wanhopig die met wortel en al uit te roeien. Tussen 1975 en 1981 bezocht Frédérique Martin, een antropologe die Indiase dans bestudeerde, India en sloot vriendschap met de laatste overgebleven devadasi’s van de Jaganath Tempel in Puri. Wives of the God/King (Echtgenotes van de God/Koning – vert.) – haar opmerkelijk eenvoudige en fijngevoelige, 400 pagina’s tellende verslag van hun traditie – geeft één van de duidelijkste beelden van de oorspronkelijke devadasi traditie in al haar complexiteit. De devadasi’s van Puri vertelden herhaaldelijk aan Martin dat vriendschappelijke omgang met "buitenstaanders" (pelgrims) absoluut taboe was. Als zij "relaties" hadden met een toegewijde van de tempel, werden zij weggestuurd. Zij vertelden echter ook iets dat onder brahmin tempelfamilies algemeen bekend was, maar slechts aan weinig anderen. In de woorden van Radha, een devadasi uit Puri: "het is een gebruik onder ons om een relatie te onderhouden met een tempeldienaar, maar nooit met een ‘buitenstaander.’ Waarom zou ik deze dingen moeten verbergen? Toen ik in de puberteit was, wisselde ik slingers met deze priester [een weduwnaar] uit. Ik woon in het huis van zijn broer. Ik heb altijd binnen de grenzen van die relatie geleefd." De Puri devadasi’s legden uit dat zij met de priesters opgroeiden en een natuurlijke verbondenheid met hen voelden, omdat zij allen hun levens wijden aan het dienen in de tempel. De vrouwen van de brahmins waren zich volledig bewust van deze "tweede vrouw" situaties. Zij waren nooit een bron van morele zorg totdat de hervormers kwamen. De zondigheid die Christenen verbonden aan niet-monogame huwelijken was nog niet bekend. Jarenlang waren devadasi’s bang om dit te onthullen, aangezien zij zich er al pijnlijk bewust van waren dat zij door de geschoolde samenleving als prostituees werden beschouwd. Nu, ontmoedigd en verlaten, vinden zij dat zij niets te verliezen hebben, want zij hebben niets meer, behalve een enorme liefde voor toegewijde zang en dans.

Als hoeren buiten de wet gesteld
Toen de plundering door de 17e-eeuwse East India Company tegen de 18e eeuw een permanent karakter kreeg – "India met verstand aderlaten," zoals de Britse premier Salisbury koelbloedig voorschreef – werden drommen Christelijke predikanten en leraren gezonden om de "barbaren" te verengelsen. Venijnig in het belachelijk maken van het hindoeïsme wonnen de missionarissen bekeerlingen onder de Indiase elite, die er snel bij was om de nieuwe Europese ideeën over te nemen, vol verlangen naar sociale aanvaarding door hen die aan de macht waren. Geleidelijk werd het zaad van culturele schaamte geplant en werd met succes een Indiase kloon van de Britse mentaliteit gekweekt. Vanaf dat moment waren de meest effectieve critici van de hindoetraditie de Indiërs zelf. Tegen het einde van de 18e eeuw bloeide een hervormingsbeweging die bestond uit "missionarissen, artsen, journalisten en [Indiase] maatschappelijk werkers, sterk beïnvloed door de Christelijke moraal en godsdienst," merkt sociaal historicus Amrit Srinivasan op. "Het beschaven van de Indiërs door het opleggen van een uniforme adoptie van de Victoriaanse ethiek voor vrouwen" werd een centraal doel van de hervormers. En de Devadasi traditie – met het gebruik dat toestond dat zij banden onderhield met een respectabele "beschermheer" uit de gemeenschap – werd gezien als de meest ongoddelijke en meest onchristelijke inbreuk daarop. "Een belediging voor de vrouwelijkheid," briesten de hervormers verontwaardigd, en hielden vast aan "het geïmporteerde, echtelijk monogame ideaal voor vrouwen als de enige gedragscode die voor alle Indiase vrouwen geoorloofd was," aldus Srinivasan.

Devadasi’s voor de rechtbank
De eerste rechtszaken tegen Devadasi’s deden zich in de jaren 1860 voor – meestal kleinzielige klachten inzake tempelbeheer over aan Devadasi’s geschonken land en hun recht om de nieuwe Devadasi’s te selecteren. Een verklaring van de hoogste rechter van Bombay, Holloway, uit 1864 typeert het voorzichtige Britse beleid om wetgeving zoveel mogelijk te mijden over zaken aangaande de hindoetraditie die de hindoebevolking in woede kon doen ontsteken. Hij schreef: "Dit [het Devadasi gebruik] is niet een tegenspraak met de hindoewet; onze gerechtshoven zijn daarom gebonden die wet toe te passen, niet beïnvloed door een veeleisendheid die gebaseerd is op Westerse standpunten over moraliteit." Sociale activisten bleven volhouden dat meisjes die aan de tempel werden gewijd, werden ingewijd in een leven van prostitutie en eisten dat de rechtbanken het gebruik verboden. (Het Indiase Wetboek van Strafrecht uit 1861 hield rekening met prostitutie, maar maakte "handel" illegaal.) Onder druk van een Indiase elite, die zich in verlegenheid gebracht voelde door een traditie die naar Westerse overtuiging "een inbreuk was op internationale ‘morele’ normen," verzocht de centrale overheid elke provincie om een officieel rapport over de aard en omvang van hun devadasi-traditie, alsmede het standpunt van het hindoepubliek daarover. De Gouverneur-generaal van Madras antwoordde: "De algemeen verbreide mening lijkt dat dansende meisjes een noodzakelijk onderdeel vormen van hindoerituelen en ook dat hun aanwezigheid bij particuliere families een gewoonte is en noodzakelijk bij vele huiselijke gelegenheden. Het treffen van maatregelen met de bedoeling van het geleidelijk uitsterven van de kaste van dansende meisjes zou met buitengewone afkeer bezien worden door de overgrote meerderheid van de hindoes." Bombay was het hier mee eens en schreef: "Er valt geen voordeel te behalen uit onze bemoeienissen met sinds lang gevestigde gebruiken die in grote mate zijn gebaseerd zijn op de godsdienstige leerstellingen van het volk." De Districtsmagistraat van Trychi antwoordde: "Deze meisjes, met omschreven titel of door aanspraak, hebben een duidelijk bepaalde positie en voeren omschreven plichten uit in hindoetempels, en vanuit dat gezichtspunt moeten hun diensten als wettig en noodzakelijk beschouwd worden, en zij worden ook als zodanig door de burgerlijke rechter erkend." Sholapur ontvanger A.F. Maconochie stelde dat de dansende meisjes toegelaten moesten worden, omdat zij zouden worden misbruikt wanneer zij buiten de wet zouden worden gesteld. "hindoe particulieren zouden hen niet willen ontvangen, en er zijn geen openbare instituten in India die hen opnemen. De [Christelijke] Missies zouden hen natuurlijk binnenlaten, alleen met het doel Christenen van hen te maken. Maar omdat de massa van het hindoepubliek verandering van godsdienst, met name de bekering tot het Christendom, ziet als een veel grotere zonde dan prostitutie, zou de verandering bittere religieuze tegenstand doen oplaaien en geïnterpreteerd worden als praktische propaganda voor het Christendom door de overheid." H.C. Mules, Districtsmagistraat van Karachi, antwoordde; "Hoe laakbaar het leven van deze meisjes in onze ogen ook moge zijn, het lijkt er niet op dat zij hun roeping onder dwang volgen en zij worden door hun geloofsgenoten ook niet als verschoppeling beschouwd." De Britse Minister van Binnenlandse Zaken reageerde op het argument van de hervormers dat het inwijden van meisjes zonder hun instemming wreed was: "In India wordt op deze of gene manier over vrouwen beschikt, lang voor hun 16e jaar; of hun wil op die leeftijd al dan niet volledig is ontwikkeld, is niet van belang aangezien hen zelden wordt toegestaan die op enig tijdstip te volgen."

Na rijp beraad concludeerde de centrale overheid dat ongeacht de omvang van beweerde seksuele excessen die zich wellicht voordeden de devadasi traditie niettemin een bonafide hindoegewoonte was en bestaande "handel"wetten voldoende bescherming boden door te verbieden dat meisjes jonger dan 16 werden weggegeven of gehouden voor het bewezen, opzettelijke doel van prostitutie. Maar, terwijl de ijver van hervormers toenam, toonden sommige rechters minder terughoudendheid. In 1880 noemde rechter West uit Bombay de tempeldans traditie in zijn district een "duidelijk zondige tendens en in wezen moreel slecht," en ontkende devadasi’s bescherming van alle burgerlijk recht. De Hogerechter in Madras, Muttsami Ayyar, maakte bezwaar: "Wat ook de verandering in de sentimenten van hindoes met betrekking tot de dansende vrouwen in Bombay en Poona moge zijn, ik kan niet zeggen dat er in deze provincie een aanzienlijke verandering bij de grote massa van de hindoegemeenschap is tegen een relatief klein deel dat onder invloed van de Westerse cultuur is gekomen." Maar voortdurende pressie en "kritiek op de rechterlijke erkenning van de devadasi’s en hun gewoonten vanuit Engeland en van zowel Indiase als missionaire sociale hervormingsorganisaties eisten dat de Brits-Indiase regering actie ondernam," merkt schrijfster Kay Jordan op. In 1912 werd opnieuw wetgeving om "vrouwelijke minderjarigen te beschermen" geïntroduceerd – bedoeld om het devadasi systeem te verbieden – door een Parsi arts en een hindoe, de heer Mudholkar. Mudholkar nam aan: "Noch het hindoeïsme zoals nu beoefend noch het hindoeïsme zoals het door onze rishi’s werd ingeprent, erkende dit [devadasi-systeem]. Het was voor hen het meest weerzinwekkende." Morele verontwaardiging uit de mannelijke sector van de hindoesamenleving was nieuw. Professor in Aziatische Studies aan het Mount Hlyoke College, dr. Indira Viswanathan Peterson, verklaart dit fenomeen: "Als reactie op de Britten handelden de Indiërs op twee tegenstrijdige manieren: zij werden grote hervormers, maar drukten ook enkele van de meer erotische en seksueel vrijgemaakte aspecten van de vrouwelijke cultuur de kop in, en maakten aldus de Indiase samenleving strenger en conservatiever. Devadasi’s, of tempeldansers, werden nu als onzedelijke prostituees beschouwd, in tegenstelling tot voorheen. Alleen omdat de Indiërs aan de Britten wilden bewijzen dat zij moreel waren, moreel op een Christelijk, Victoriaanse wijze." Al die tijd bleef de centrale vraag naar vermeende prostitutie, of de mate daarvan, in de devadasi-traditie vaag. De wetgevende macht in Madras schreef in 1924: "Wij hebben niet als vaststaand aangenomen dat een betrekking als devadasi gelijkwaardig is aan een betrekking met het doel tot prostitutie." De centrale overheid was het daarmee in het algemeen eens: "Zelfs wanneer het in veel gevallen waar is dat tempeltoewijding in de praktijk synoniem is met prostitutie, dan nog dienen wij te aarzelen met het maken van een wettelijk voorschrift daartegen zo lang die niet in het algemeen door hindoes wordt erkend." Zij adviseerde Bombay en Madras liever de prostitutie"handels"wetten te verscherpen en hun verenigingen van vrouwelijke vrijwilligers aan te moedigen dan de devadasi’s buiten de wet te stellen. In 1929 begon een brahmin vrouw en lid van de wetgevende macht, dr. Muthulakshmi Reddy, een furieuze anti-nautch (dans) campagne en eiste de volledige afbraak van het devadasi systeem – een "weerzinwekkend gebruik dat vraagt om immorele handel van vrouwen" ging zij te keer." De dharmakarthars [tempelhoofden] en het algemene ongeletterde publiek stellen zich voor dat de Goden in de tempels deze dasi’s voor dienstbaarheid willen!" voegde zij er aan toe. "De Goden in de tempels willen geen dans of muziek," donderde ene heer K.R. Karant, een hindoe. "Het is heiligschennis om te zeggen dat godsdienst om deze nonsens vraagt."

"Roei ons niet uit!"
Tijdens de zestig jaar van wettelijke vervolging hielden de devadasi’s zich stil. Maar dr. Reddy dwong hen van zich te laten horen. Ineens werden honderden handgeschreven pleidooien en protesten – persoonlijk door devadasi’s ondertekend – naar de wetgevende macht van Madras gestuurd. Eén daarvan viel in het oog. Die was ondertekend door de "Afvaardiging van devadasi’s in de provincie Madras" en "Devadasi vereniging van het Tinnevelly District" In welsprekende taal pleitten zij voor hun voortbestaan. Zij ontkenden hoeren te zijn en beklaagden zich dat hen dit stigma werd opgeplakt. Zij gaven toe dat een lichte mate van prostitutie in hun gelederen voorkwam en verzochten om behandeling van zulke vrouwen overeenkomstig bestaande wetten. Zij hielden vol: "Ons instituut is vergelijkbaar met die van de mutts, geleid door sannyasins voor de verspreiding van godsdienst. Wij trouwen met niemand dan met God en worden toegewijden van God." "Zij beschreven zichzelf," schrijft Kay Jordan, als "engelbewaarders van de dans en muziek met een toewijding die de vergelijking verdraagt met de ijver van de pandits eerder Veda’s te lezen het moderne na te jagen." Zij citeerden uit de Saiva Agama’s om hun oorsprong in de geschriften aan te tonen – "Shiva zei: ‘Om Mij te behagen, moeten dagelijks regelingen worden getroffen voor shudda nritta (dans). Die moet gedanst worden door vrouwelijke personen die uit zulke families zijn geboren, en de vijf acharya’s dienen de begeleiding te vormen.’ Aangezien deze Agama’s door elke hindoe geëerbiedigd worden, hoe modern en geschoold zij ook mogen zijn, welke reden kan er dan zijn dat onze gemeenschap niet kan bestaan en floreren als essentiële onderdelen van tempeldienst?" Zij verzekerden dat dr. Reddy’s voorgestelde afschaffing van hun traditie de velen straften voor de daden van enkelen en schatten pijnlijk: "Door deze wetgeving voor te stellen, proberen de wetgevers zich voor altijd van onze sekte te ontdoen. Dergelijke wetgeving is ongeëvenaard in de beschaafde wereld." Zij vroegen om meer zielvolle opleiding. "Geef ons scholing – godsdienstig, letterkundig en kunstzinnig – zodat we opnieuw die plaats kunnen innemen die wij vroeger bezaten. Leer ons de Thevarams van de Saivite heiligen en de Nalayaram van de Vaishnava acharya’s. Doordring ons van de Gita en de schoonheid van de Ramayana, en leg ons de Agama’s uit en de rites van gebed." Dit zou, zo betoogden zij, devadasi meisjes inspireren zich te vormen naar vrouwelijke heiligen zoals "Maitreya, Gargi, en Manimekalai en de zangeressen van de Veda’s zodat we opnieuw de predikers van moraliteit en godsdienst kunnen worden… U die u beroemt op uw tedere liefde voor kleine gemeenschappen, wij bidden dat u ons toe zult staan te leven en behouden te blijven, en ons manifesteren in jnana en bhakti, en de toorts van India’s godsdienst brandende te houden in de mist en storm van toenemend materialisme en de boodschap van India aan de wereld uit te dragen." Ondanks vurige protesten van E. Krishna Iyer en een "pro-kunst" delegatie uit Madras kregen dr. Reddy en haar verengelste vrouwenbonden de overhand. Gebrekkige wetgeving tegen devadasi’s werd in 1927 aangenomen, gevolgd door volledige afschaffing in 1947. De dans werd gedegradeerd tot een wereldlijke kunst, omgedoopt tot Bharata Natyam en toen overgenomen, opnieuw gestileerd en onderhouden door veelal getrouwde vrouwen uit de brahmin kaste.

Vrouwen uit hoge kaste, beschaafd, eigenzinnig – de vrouwen die de dans niet lieten sterven
Toen de Anti-Nautch zuivering voorbij was, waren de hindoemeisjes eindelijk veilig om ooit met een God te moeten trouwen en voor Hem te dansen. Tempels werden gereinigd van toegewijde kunst en ex-Devadasi’s konden zich nu verheugen in waardige beroepen en juiste huwelijken. Tenminste, zo luidde de logica. Wat in werkelijkheid gebeurde, was dat de meeste Devadasi’s, nu tot hoeren bestempeld, hun gebroken waardigheid en aangeslagen herinneringen aan een duizenden jaren oude levensstijl namen en doelloos verdwenen in de anonimiteit. Een lugubere stilte daalde neer over duizenden tempels. De opwindende aanblik van gekostumeerde, toegewijde dansers, de tal van de drum en klank van veena of fluit, en zoetvloeiende zang waren nu allemaal verdwenen. Puja’s leken kaal. Aan processies ontbrak de glans. De Tanjor tempel die eens 400 rituele tempelartiesten had, had er nu, net als andere, geen. De Music Academy van Madras reageerde. Zich bewust dat zonde de Devadasi’s de klassieke hindoedans en -muziek met uitsterven bedreigd werd – of ernstige verminking – stelden zij een plan op. Eerst hernoemden zij de dans van Satir tot Bharatanatyam om haar van haar bezoedelde imago te ontdoen. Toen, in 1931, begonnen zij openbare dans te sponsoren voor Devadasi’s die uit de tempels waren verdreven. Gowri Amma, een buitengewoon begaafde zangeres en danseres was één van de eerste. Zij was uit het huis gezet dat haar door de Kapaleeswarar Tempel, Madras, was toegewezen. Dakloos en zonder werk danste zij in de Academy in 1932. Mensen waren verbaasd. Balasaraswati – toen 15 en uit een zelfde eminente lijn van toegewijde artiesten – danste het jaar daarop. Zij deed Madras versteld staan, en vernietigde aldus het "hoer"stigma zo volkomen dat zelfs brahmin meisjes openbare minachting trotseerden om de kunst te leren. Rukmini Devi Arundale was de eerste. Velen volgden.

HINDUISM TODAY
vroeg enkele van deze toegewijde hoedsters van India’s dans om hun gedachten over de Devadasi traditie weer te geven. Zoals elk van hen scherp aangeeft, behoort de dans in de tempel waar het eeuwen was. De hoerenfobie dat bezit van de "hervormers" nam, is nu geschiedenis. Zelfs de overheid is bereid het verbod op dans in de tempels te herroepen! En met hindoes tegenwoordig die niet geïnteresseerd zijn in wat Westerlingen in het hindoeïsme goed- of afkeuren, is wellicht het moment aangebroken waarop dans en muziek in ere hersteld zal worden als vitaal en heilig onderdeel van tempelliturgie en festivals.

MRINALINI SARABHAI: De tempelartiesten hadden verschillende plichten – rajadasi’s dansten voor de heilige vlag; alankaradasi’s traden bij sociale gelegenheden op; devadasi’s dansten regelmatig in de tempel en swadasi’s traden op tijdens bijzondere godsdienstige gelegenheden. Anderen waaiden het Godsbeeld koelte toe, ontstaken de lampen, voerden vele plichten van de priesters uit. Door hun courtisane-achtige leven vonden sommige vrouwen, onder leiding van een Engelse, Madge Tenant, dat dansen in de tempel verboden moest worden. Helaas zette enige degradatie in toen vrouwen die geen Devadasi’s waren een beetje van de kunst leerden om rijke begunstigers te strikken. Dit leidde tot een protest waarin de kunst verward met de verbreiders. Gelukkig hebben de meeste toegewijde Devadasi’s, zoals mijn guru’s Meenakshi Sundaram Pillai en Muttukumaran Pillai, de kunst behouden. Toen ik naar Gujarat kwam, was het stigma tegen de dans nog steeds aanwezig en minachtend de naam nautch gegeven. Toch heb ik dat gevoel kunnen breken en helpen mensen te doordringen van de grootsheid en heiligheid van deze kunst in Noord-India.

Indumathy Ganesh: Devadasi’s hebben grote invloed op mij gehad. Hun dans was gebed, maar tegenwoordig is het zo theatraal geworden, louter vermaak voor het publiek. Dans moet een spirituele inhoud hebben. Op het laatst moet de danser zichzelf verheffen en ook het publiek gelukkig maken. De hindoe samenleving in Zuid-India is echt veranderd sinds de Devadasi controverse, en is veel minder behoudend in de strikte betekenis van het woord. Ik denk eigenlijk dat herintrede van de Devadasi’s een nieuw elan met zich mee zou brengen, een nieuw vreugdevuur zou doen oplaaien en dat zelfs de Internationale gemeenschap in de Westerse landen ervoor in de rij zou willen staan.

Rabin Gangadin

Reacties

      Schrijf een reactie


      Let op. Het e-mailadres is niet verplicht maar hou er rekening mee dat deze wel gepubliceerd.

      Register New Account
      Wachtwoord opnieuw instellen