Gevoelloze ogen


Als er grijze ogen bestonden, donker grijs, dan had ik ze. Mijn donkere ogen, die niet eens zwart mochten zijn. Waarvan je alleen van heel dichtbij hun ware kleuren kunt bevatten. Spiegels zouden een reflectie van jezelf moeten geven. Wat jij ziet in de spiegel zou dus jij zelf moeten zijn. Soms kijk ik in de spiegel, soms ook niet. Die spiegel heeft me in bepaalde tijden een naar gevoel gegeven, omdat ik soms in die spiegel niet alleen een weerspiegeling van mezelf zag, maar ook van mijn angsten. Als kind ben ik altijd heel angstig geweest. Onzeker over mezelf, wantrouwig naar alles buiten mij toe. Gevaarlijk wantrouwig

Sita mausi, zij was de eerste persoon die mij haar hulp aanbood. Zij gaf mij op 13-jarige leeftijd het advies om een grote spiegel te kopen waarin ik me compleet kon zien en haar te bellen als er wat was. Dat hielp in het begin wel, maar al gauw werd mij het volledige zicht onttrokken door de angst die niet wegging. In 1998 was ze dood, omgekomen bij een auto-ongeluk. Ik had nooit haar hulp aanvaard. Ik kon niet huilen. Net 16 jaar oud en ik voelde mij schuldig, omdat ik niet oprecht kon huilen.

’99 Leon, de eerste persoon die onvoorwaardelijk zijn liefde gaf. Mijn eerste grote liefde, het leek net een film, maar net als in films kwam er al gauw een dramatische wending. Ik zorgde er echter voor dat het een dramatisch einde werd. Hij vertelde me met een zucht, maar vastberadenheid: “Je denkt teveel na, je moet eens leren je hart te volgen.” Ik begreep niet eens wat hij bedoelde. Het witte doek viel: we kregen ruzie en het contact werd voor altijd verbroken. Zijn liefde werd niet geaccepteerd.

’99/’00. Mijn nichtje van zes had kanker. Ze was hier naar Nederland gekomen voor de medische zorg vanuit Suriname zonder moeder, zus en broertje, alleen met haar vader. Ik kon niet met haar spelen, ik kon niet met haar omgaan. Om mezelf te beschermen ging ik geen band met haar aan…..uit angst voor wat er gebeuren zou als ze wel zou sterven. Winter 2000, in het ziekenhuis stierf ze voor mijn eigen ogen. Gevoelloosheid bekroop mij.

Ik voel me schuldig voor mijn gevoelloosheid. Het onvermogen oprecht te voelen, verdrà­et te voelen. Na een jaar van vele inspanningen en veranderingen pak ik de trein om een lange reis te maken naar een oude verloren vriend, Leon. Ik geloof dat ik veranderd ben en gegroeid, de wereld lijkt aan mijn voeten te liggen, maar dan vertelt hij dat zijn vriend kort geleden is overleden…..ik geloofde eerst zo sterk wat ik hem wilde bewijzen, maar hij kijkt me aan en vraagt me wat er is. Iets wat mij zelden gevraagd wordt en ik antwoord niet. Ik zeg dat ik hem er niet mee wil lastig vallen. Hij zegt dat het erger is geworden…met mij…Ik besef dat het inderdaad slechts uiterlijk vertoon was. Na al die jaren en alles wat hij inmiddels over me weet, probeert hij me toch te kussen…op mijn mond, maar ik kan het niet. Er klopt iets niet, er zit iets goed fout in mà­j. Ik vertrek zonder hem nog ooit te zullen zien.

Het probleem wordt mij heel duidelijk. De pijn van het verleden heeft mij compleet in zijn greep. Een lange geschiedenis van pijn en schending van alles wat een kind nodig heeft. Zonder liefde, zonder vertrouwen, emotioneel kun je een kind niet ernstiger verwaarlozen of beschadigen. Hindoestanen gaan maar al te vaak prat op hoe ver ze wel niet zijn gekomen, hun financiële, economische vooruitgang, hun beklimming op de ladder van status…….over de ruggen van hun eigen gevoel? Van dat van hun kind? Ik ken de problematiek maar al te goed. Ik zie het ook maar al te vaak om me heen. En ik weet dat die ook in de hindoestaanse gemeenschap een ziekmakend effect heeft. Eén die vele anderen net als ik ertoe drijf onverschillig te worden over die grens. Die ons doet verlangen en wanhopig maakt ons zelf van kant te maken. Het werk leek echter al voor mij gedaan te worden.

Zomer 2001,…..ik ontdek iets dat mij nog maanden zal achtervolgen. In de spiegel zie ik op mijn lichaam een bult ….het dringt maar al te snel door dat dit alles kan betekenen. Ook dood. Ook mijn verlossing. De dokters zeggen dat er vijftig procent kans bestaat dat het goedaardig is, maar zeker weten, doen ze het niet. Weken gaan eraan vooraf, weken van depressies voordat de scan gemaakt kan worden. Inmiddels begint voor mij de propedeuse van de universiteit. De hoop van de universiteit, nieuw leven, nieuwe mensen is voor mij genadeloos vermoord, vernietigd. Mijn nieuwe mentor lijkt een open en eerlijk persoon en de mensen in mijn werkgroep zijn allemaal totaal verschillend en respectvol. Het kan me echter niet schelen en waarom zou ik vrienden maken als ik ze toch straks misschien verlies? De scan wordt kort daarna gemaakt….en ik hoop iets wat de meeste mensen waarschijnlijk absoluut nooit hopen op zo’n moment. Ik hoop dat het een tumor is. Ik wil dood. Ik wà­l dood op 19-jarige leeftijd.

Uren moet ik wachten in het ziekenhuis, even later moet ik pillen innemen. Het infuus wordt ingebracht en daarna volgt de narcose. Ik heb er al rekening mee gehouden dat er dingen mis kunnen gaan tijdens de narcose en ik hoop dat het mis zal gaan. Want voor mij is er niets mis aan om eindelijk dood te zijn. Verlossing van de gevoelloosheid, de mentale verdoving, verstoten van emoties. Verstoten van geluk en verdriet, van liefhebben en geliefd laten worden. Verstoten van het leven. De verpleegster vertelt mij vlak voor de narcose om aan fijne dingen te denken. Op mijn oprechtste moment schiet alleen Leon mij te binnen, die glimp van warmte, veiligheid en….zorgeloosheid….ik ben zo moe, zo ontzettend moe, maar toch verdwijnt die plek niet uit mijn hart…zo moe…en ik val in slaap. Onbewust en leeg van al mijn zorgen. Ik ging niet dood. Waar mijn 6-jarig nichtje vocht voor haar leven en stierf, werd ik na het opgegeven te hebben…..weer wakker.

24 uur na de operatie met pijnstillers en al maak ik vastberaden een drie kwartier durende reis. Ik stap in de metro om me vervolgens mee te laten nemen naar de stad die een half uur van mij verwijderd is. Ik leun met mijn hoofd tegen het raam en kijk naar buiten naar de donkere wolken. Vele stations later stap ik uit en loop in de plenzende herfstregen door de straten van Amsterdam, overgoten door plassen water, op weg naar de universiteit en stap bij mijn mentor binnen…..Hier sta ik dan tegenover deze complete vreemde, die niets van mij af weet. Mijn anonimiteit heb ik altijd zo lang willen waarborgen…maar daarmee kan het nu allemaal in één klap voorgoed gedaan zijn. Voorzichtig vraag ik hem of ik hem niet als student, niet als docent, niet als twee totaal onbekenden op deze wereld in dit gebouw,……maar als mens kan spreken. Als iemand die om hulp vraagt, zijn hulp….

Hij kijkt mij oprecht in de ogen aan en hij geeft mij een warme bevestigende knik terug…..Ik kijk in zijn ogen en besef dat ik tegen deze persoon niet kan liegen, omdat ik in hem de reflectie van mij zelf zie. De meest ultieme, genadeloze confrontatie. Het is één van de eerlijkste momenten ooit in mijn leven. Deze stap zetten voor het donkere onbekende vereist immens meer lef en is gigantisch moeilijker dan die stap zetten over de grens voorbij het leven waar ik weet wat ik verwacht. De dood waar ik zo wanhopig naar smacht. Voelen is echter springen in het diepe, vallen zonder te weten wat daar wacht, een risico nemen. Het risico om te leven. Wat heb ik nu in godsnaam nog te verliezen? Voor het eerst in mijn leven maak ik het verschil en…..ik accepteer zijn hulp. Ik begin moeilijk en stotterend te praten, maar “Het geeft niets,” zegt hij. “Het gaat erom dat jij je gevoel toelaat.”

Reacties

      Schrijf een reactie


      Let op. Het e-mailadres is niet verplicht maar hou er rekening mee dat deze wel gepubliceerd.

      Register New Account
      Wachtwoord opnieuw instellen