Een exceptioneel boek over de vraag hoe landen een atoombom in handen krijgen


Op 1 augustus begint in New York voor de tiende keer de RevCon NPT, de conferentie over de evaluatie van het streven om de wereld atoombomvrij te maken met behulp van het Non Proliferatieverdrag (NPV) uit 1970. Het is een vreemd (want discriminatoir) verdrag dat aan vijf landen kernwapens toestaat, maar aan ieder land dat ervan afziet civiele atoomkennis belooft. Het laat bovendien elk land beloven om over totale ontwapening te onderhandelen.

Na een ware hausse in de Koude Oorlog telt de wereld nog altijd die vijf atoombomlanden en vier landen die de bom ook hebben maar toetreding weigeren. Ook zijn er nog altijd zo’n 13.000 atoomwapens. Heikel punt na ruim vijftig jaar is dat er van (nucleaire) ontwapening nog steeds bar weinig terechtkomt.

Het NPV staat tegenwoordig ook onder druk van een juridisch verbodsverdrag op atoomwapens, het sinds 2021 in de VN-lidstaten geldige Ban Treaty, waar in elk geval de huidige ‘haves’ niet aan willen, omdat zij dan een stuk veiligheid zouden opgeven zonder de zekerheid te hebben dat hun vijanden dat ook doen. Ook de Navo, een verklaarde nucleaire alliantie, is tegen zo’n juridisch verbod en houdt vast aan het nonproliferatiebeleid volgens het NPV.

Dat is in zoverre succesvol dat in de beginjaren wel rekening gehouden werd met een veertigtal atoombomlanden (nog afgezien van nucleaire proliferatie in de particuliere sector, wat tot Al Qaida als ondenkbaar werd beschouwd) en dat bij ‘slechts’ vijf officiële ‘haves’ en vier outsiders is gebleven. De eerste groep bestaat uit de VS, Rusland, China, het VK en Frankrijk, de outsiders zijn India, Pakistan, Noord-Korea en naar men aanneemt Israël. Je zou kunnen zeggen dat het NPV dus wel zijn tegenslagen heeft moeten incasseren, maar dat het de ruime verspreiding van de bom na 52 jaar toch ook enigszins heeft weten te voorkomen.

Destijds heeft de atoombom – wie dacht er nog serieus aan tot Poetin– wel tot een indrukwekkende bibliotheek over horizontale proliferatie geleid, welk land wel en welk land niet. Maar al die boeken gingen bijna uitsluitend over de vraag waarom landen de bom wel of niet begeerden.

Volgens MIT-hoogleraar Vipin Narang in zijn recent verschenen Seeking the Bomb. Strategies of Nuclear Proliferation is het veel verstandiger om de ‘hoe-vraag’ te stellen. Volgens de realist Narang draait in de wereldpolitiek alles om geopolitiek en veiligheid. Alle andere nobele onderwerpen, zoals mensenrechten of nonproliferatie, zijn als puntje bij paaltje komt bijzaak. Het is nu onvoorstelbaar dat een land zich nog zo ongemerkt mogelijk de verwerving van een eigen atoombom ten doel stelt en daar zo snel mogelijk, al dan niet projectgewijs, naar toe werkt. Dat deden de vijf officiële ‘haves’ wel, zij waren ‘binnen’ voordat het NPV tot stand kwam.

Narang onderzocht 29 landen die de atoombom ooit wilden hebben en komt tot de conclusie dat die vijf ‘sprinters’ een minderheid zijn, dat er nog één (Zuid-Afrika) in slaagde zelf de bom te maken, maar er weer afstand van deed, en dat de grote rest derhalve uit hedgers, sheltered pursuers en hiders heeft bestaan die de bom in diverse gradaties van camouflage hebben nagestreefd. Een van die 29 is Pakistan.

Hard oordeel

Narang velt een hard oordeel over dat land dat in het Nederlandse geheugen via de pijnlijke affaire van de Pakistaanse atoomspion Abdul Qadeer Khan een speciale plaats inneemt. Op Noord-Korea en Albanië na, had het de allerslechtste relatie met de VS, maar genoot na de Russische inval in Afghanistan plotseling alle immuniteit van Washington bij het maken van zijn atoombom. Die immuniteit, door Narang sheltered pursue genoemd, is door de Pakistani werkelijk maximaal uit de Amerikanen gewrongen. Het tegenwerken van de Sovjets in Afghanistan kon uitsluitend via aanvoerlijnen vanuit Pakistan en het nonproliferatiebeleid van de VS (vooral onder president Carter) werd daaraan op 25 december 1975 op slag ondergeschikt verklaard. Je zou, bitter en met de nodige verschillen, kunnen zeggen dat Carter toen zijn Oekraïne-moment beleefde. Het nonproliferatiestreven was leuk voor softies, maar werd met de geopolitieke realiteit van de Sovjetinvasie meteen opzijgezet. Zo verwonderlijk is het dus niet dat premier Lubbers in 2006 erkende dat de VS Nederland verordonneerde om de zaak van de Pakistaanse atoomspionage maar te laten rusten, wat weer eens aantoont hoe smal de marges van een eigen Nederlandse buitenlandse politiek zijn als Amerikaanse diensten andere prioriteiten hebben. Het roept zelfs de vraag op hoe serieus we de Nederlandse rechtszaak tegen atoomspion Khan (in 1984 bij verstek veroordeeld, maar door een vormfout nimmer gepakt) moeten nemen, omdat ook dat perfect paste in de Amerikaanse strategie van ‘geopolitics first’, dus wegkijken. Narang noemt ons gehoorzame land niet eens, wat onze verontwaardiging en schaamte over de Khan-affaire toch relativeert.

“/>

In 1966 deed Frankrijk zijn eerste test met een waterstofbom op de atol Mururoa in de Stille Oceaan. Foto Keystone-France/Gamma-Keystone via Getty Images

Handige lobbyist

Vaardig documenteert Narang hoe Khan weinig meer dan een handige lobbyist was, die via zijn netwerk van westerse onderdelenleveranciers gokte op een uraniumbom, maar het in eigen land moest opnemen tegen een naamgenoot die het Pakistaanse leiderschap interesseerde voor een krachtigere en goedkopere plutoniumbom. De VS en het VK waren intussen uitstekend op de hoogte van de Pakistaanse vorderingen, die al veel eerder waren begonnen (na de ‘Vreedzame Atoomproef’ van aartsvijand India in een nog hogere versnelling) dan een land als Nederland ooit doorhad.

Vooral Zia Ul Haq maakte schaamteloos gebruik van de Amerikaanse tolerantie, speelde hard to get, maar de beslissing om een islamitische bom te gaan maken was toch al in 1972 door zijn voorganger Ali Bhutto genomen. Carter (hij dus al) en later ook Reagan wisten ervan, en gingen niet eens verder dan de waarschuwing aan Pakistan dat het een ‘Israelkoers’ moest volgen (wel maken, niet testen van de atoombom) om de VS niet in verlegenheid te brengen. Afghanistan ging voor, de Pakistaanse vriendschap was te koop. Sterker nog: de VS steunden Pakistan zelfs met militaire maar niet-nucleaire hulp, schortten sancties op, en schermden informatie voor het Congres, dat een groep ‘nonprol-hawks’ telde, bewust af om de P-bom te ‘shelteren’.

De grootste bedreiging komt niet van de juridische worsteling van atoomspion Khan met kleine netwerkleveranciers in Europa (en zelfs in de VS), maar van militaire sabotage door India en Israël (het kapotschieten van het door hen verdachte Kahuta, het thuishonk van Khan)). Zelfs in dit opzicht zouden de VS Pakistan geshelterd hebben, door tegenover die landen het Pakistaanse gevaar te bagatelliseren en Pakistan vooraf op de hoogste te stellen.

Meer in het algemeen voorspelt Narang dat de wereld in de toekomst met hiders (Iran) en hedgers in alle maten en soorten te maken krijgt, en dat het nonproliferatieprobleem eerder een zaak van managen dan oplossen zal zijn. Het proliferatiemodel van Narang, waarbij het belangrijker is om in de gaten te houden hoe staten aan de bom willen komen dan waarom, is naar eigen zeggen voor 85 procent juist. Als Narang , die een exceptioneel boek schreef, iets te verwijten valt is het zijn ego en zijn neiging tot herhaling daarvan.


Lees ook: De geopolitieke ‘realist’ is een heerlijke talkshowgast, maar heeft ongelijk



Lees verder op:
https://www.nrc.nl/nieuws/2022/07/28/een-exceptioneel-boek-over-de-vraag-hoe-landen-een-atoombom-in-handen-krijgen-a4137595

Reacties

      Schrijf een reactie


      Let op. Het e-mailadres is niet verplicht maar hou er rekening mee dat deze wel gepubliceerd.

      Register New Account
      Wachtwoord opnieuw instellen